Met meneer Hub naar ´Steken in de ruimte´

Hij zit er vrolijk bij met twinkelende oogjes en een blosje op de wangen. Zo ken ik hem niet.
‘Goede morgen, meneer Hub. Je bent in een goede bui,’ zeg ik nieuwsgierig. ‘Wat is er aan de hand?’
Hij zwijgt en laat mij wachten.
‘Nou, vertel eens, wat is er gebeurd?’
‘Ja, er is mij iets moois overkomen,’ zegt hij en zwijgt weer.
‘Je wilt het geloof ik niet vertellen. Dan laat het maar hoor.’
‘Je zult het niet geloven, ik ben versierd door een vrouw,’ en hij klapt bijna dubbel van het lachen.
‘Maar het is niet wat je denkt hoor. Mevrouw Ans heeft mij versierd met een prachtig halssieraad uit haar collectie.’
‘Het ziet er inderdaad mooi uit en het staat je goed,’ zeg ik bewonderend.
‘Zij kwam bij me langs. Omdat ik de baas ben van de Kantfabriek mocht ik het mooiste halssieraad uit haar collectie kiezen. Ik heb een hele mooie gevonden die bij mij past. Veel dames komen heel dicht bij mij om de details van de versiering te bekijken. De dames geuren heerlijk. Het zijn nieuwe geuren voor mij. Ik ken alleen de onjeklonje van vroeger en daar ben ik wel op uitgeroken.’
‘Ja dat snap ik. En maak je ook een praatje met de dames?’
‘Nee dat kan niet. We hebben afgesproken dat ik niet met de bezoekers praat en me doodstil houd. Maar ik heb wel met mevrouw Ans gesproken. Wat een enthousiaste vrouw en wat een creativiteit en werklust. Die had ik vroeger wel in de Kantfabriek willen hebben. Dat scheelde ook nog in de hoeveelheid afval. Ze heeft mij bij de arm genomen en me rondgeleid. Mooi hoor maar het is wel jammer dat er eerst een uitleg nodig is om het te begrijpen. Je moet goed op de details letten. Wat een frutsel- frotsel- fratseltjes zijn er in verwerkt. Tjonge jonge wat een gedreven mens.’
‘Dan hoeven wij vandaag dus niet meer naar het werk van Ans Verdijk en gaan we rechtstreeks naar ‘Ter Herinnering’, de nieuwe tentoonstelling,’ stel ik voor.
‘Nou nou, kalm aan. Ik ga graag eerst bij de baronnen langs.’
Bij de drie Textielbaronnen wordt keurig en met respect wederzijds gegroet. Wat verder fluistert meneer Hub:
‘Zag je die gekleurde halsversieringen? Die zijn ook van Ans. Ze zijn te opzichtig voor een baron. Die oude mannen moeten ook altijd opvallen.’

We komen bij ‘Ter Herinnering’. Ik zie op tegen de confrontatie. Ik vertel hem van de grote collectie bidprentjes van het museum en van Carool van Kuyck, de moeder van de verzameling. Hij bekijkt de houten beelden van Piet Siebers.
‘Die beelden zijn prachtig. Daarvan zie ik zonder uitleg al dat ze mooi zijn,’ zegt hij tevreden.
We lopen naar het grote paneel met de stamboom van de familie Coumans waarin hij een centrale plek bezet. Meneer Hub wordt stil en slikt regelmatig. Ik hoef hem niet uit te leggen wat het is. Ik wijs hem het bidprentje van zijn overlijden in 1942.
‘Lees eens, wat hebben ze over mij geschreven?’ Ik lees woord voor woord.
‘Valt me erg mee. Er is geen woord van gelogen. Dat heeft mijn familie mooi gedaan. Je ziet op zo’n prentjes vaak dat zelfs de grootste boef nog de hemel in wordt geprezen.’

‘Ik zie dat de begrafenisdienst nog in de oude Lambertuskerk was. Die is in oktober 44 gebombardeerd. Er staat nu een hele mooie nieuwe.’
‘Ja dat weet ik. Het was nog oorlog toen ik stierf. Ik heb alles hierboven gezien. De verwoesting van de kerk en ook het bombardement waarbij mijn zoon Hub en zijn vriendin Riki omgekomen zijn.’
Hij slikt even maar vermant zich snel.
‘Het valt niet mee om hierboven alles te zien gebeuren en niets te kunnen doen. Arm jong, hij was nog vol plannen voor de Kantfabriek,’ zegt hij treurig.
‘Is het niet erg saai hierboven?’ vraag ik even later.
‘Nee hoor, we hebben vaak een familiebijeenkomst. We volgen ook de Kantfabriek en zijn zeer tevreden dat ze nog voortleeft als museum. De Kantfabriek gaat nooit verloren.’
De laatste zin schalt door de lege ruimte. Meneer Hub zwijgt nu en zinkt weg in zijn gedachten. Bij het grote paneel met foto’s van de graven op het oude kerkhof geef ik hem een verrekijker en wijs naar de foto van zijn graf.

‘Dat graf ken ik goed want ik lig er zelf met mijn lieve vrouw. Een mooi graf, ik ben er best tevreden mee. Het kerkhof wordt ook heel mooi onderhouden.’
We bekijken het overige van de expositie. Meneer Hub zegt niets meer en ondergaat alles met zijn gedachten ver weg. Hij richt zich nog een keer op:
‘Die mooie stamboom wordt toch niet weggegooid, hoop ik. Die moet zeker ergens in het museum een mooie plek krijgen.’
‘Dat denk ik wel,’zeg ik en breng hem terug naar zijn plek naast de kantklosmachines om uit te kijken naar heerlijk geurende dames.

Piet Geurts

‘Steken in de ruimte’ (4 oktober 2015 t/m 6 februari 2016) en ‘Ter Herinnering’ (13 december 2015 t/m 21 februari 2016)